1

De weg loopt in een kaarsrechte lijn langs het kanaal. Stel, sinds mijn vertrek ben ik eens per week op familiebezoek gegaan, dan moet ik deze zelfde route inmiddels zo’n vierhonderd keer hebben afgelegd. Of dubbel zoveel, want op en neer.

     Wie weet is Sal er ook. 

   Voor december is het uitzonderlijk zacht. De enkele tegenligger heeft het grootlicht aan. In de mist lijken ze niet vanuit de verte maar uit de hemel te komen.  In de laadbak van de Rover rollen twee vuilniszakken heen en weer. Voor Jana, kleding die ik niet mee naar Engeland neem. ‘Ik zei het toch!’ riep ze toen van mijn plannen hoorde, ‘het reizen zit ons in het bloed!’ Al stonden de wielen van haar eigen wagen nooit ergens anders dan op Halfweg, de gelegenheid om mij te bewijzen dat ik heus één van hen ben liet ze zich natuurlijk niet ontgaan.

     Waar verkeersborden voor de nadere kruising waarschuwen, rijzen de twee suikersilo’s boven de bomenrij op. Tien jaar geleden maakte milieuwetgeving een einde aan de activiteiten van de fabriek en werd het aangelegen dorp een slaperig forensenoord waarvan nu zo’n beetje de helft op Schiphol werkt. Daar komt er weer eentje overgevlogen. Gedurende een kort moment word ik door de stalen vogel in een schaduw gehuld. In een reflex trek ik mijn hoofd tussen mijn schouders in, een idioot gebaar.

    Plotseling staat daar een persoon, midden op de weg. Mijn adem stokt en mijn voet vliegt naar de rem. Iemand gilt - ben ik dat zelf? De Rover komt slippend tot stilstand, mijn achterhoofd knalt tegen de steun. Als ik me omdraai om door de achterruit te turen is de voetganger nergens meer te zien. Mijn hart gaat als een gek tekeer. Ik weet het zeker, het was een man.

    Twee koplampen verschijnen in de mist. Snel komen ze dichterbij. De auto vertraagt en stopt op tijd, zijn alarmlichten knipperen keurig aan. Het is een taxi buiten dienst, het bordje op het autodak onverlicht. Het raampje gaat omlaag. ‘Wat de fuck is jouw probleem?’ wijst de chauffeur op zijn hoofd. Hij is zo kaal als een ei.

    ‘Er stond daar iemand op de weg!’ Uit mijn keel komt slechts gekras.

    ‘Wil je dood?’ Nijdig schudt de man zijn kale hoofd.

    Ik doe maar of ik hem niet horen kan, het voordeel van een stuur rechts.

     De taxi stuift weg.

     Was het mijn verbeelding? Stond daar echt geen man?

    Ik haal diep adem en klik mijn gordel vast. ‘Sorry,’ zeg ik hardop. Ik weet niet tegenover wie ik me excuseer en heb eigenlijk ook geen idee waarvóór.

    Nadat ik op het kruispunt linksaf ben gegaan, zet ik de auto met draaiende motor een ogenblik onder de fabriekspoort stil. Het klokje in het dashboard staat op half tien. Sinds mijn vertrek uit Amsterdam zijn er al twintig minuten voorbijgegaan. Ik bekijk mijn ogen in de spiegel van de zonneklep en knipper een paar stiekeme tranen weg. Voor het eerst in mijn leven heb ik mijn haar kort geknipt. Niet zo kort als kórt kan zijn, maar tot net onder mijn kin. Ik had gehoopt dat het me een soort sjieke uitstraling zou geven, maar mijn krullen lijken zich juist erger te misdragen dan voorheen.

    Maja had meteen naar Sal gevraagd toen ik quasi achteloos liet vallen dat ik voor een jaar naar Engeland zou gaan: ‘Hoe moet dat dan met je broer?’ Maar voordat ik haar iets verwijten kon wat ik allang niet meer doe, voegde ze er snel aan toe: ‘Je hebt toch grootste plannen met De Zaak? Ook wel eens goed om af te maken waar je aan begint.’ Ik had er mijn schouders over opgehaald, vreemd genoeg is dat makkelijker nu ik weet dat ik er binnenkort niet meer ben.

    Ik klap de zonneklep weer op en rij stapvoets verder naar het kamp, mijn autoraampje dichtdraaiend tegen de stank. Sinds de sluiting van de fabriek is de lucht van stomend diksap voor die van kerosine ingeruild. Elk najaar kwam de mierzoete en bittere bietendamp de ovens uit, het drong via de open raampjes ons beddengoed in. Op sommige ochtenden werden we misselijk wakker van de stank. Toch spreken de kampers die zijn gebleven liever van een speciale geur.

    Ik laat de Rover voor de slagboom staan. Op de neergelaten paal heeft een grapjas een stuk karton geplakt. FULL, staat er in dikke letters op geschreven.

     Oorspronkelijk vond op de driehoek niemandsland het eerste deel van het fabrieksproces plaats, als op de kade de vers geloste bieten op grootte werden gesorteerd. Nu leggen er allang geen vrachtschepen meer aan en rest op de wal alleen nog het voormalig daglonerskamp dat zijn naam als vanzelf aan het dorp ontleent. Wordt in de krant of op tv over wietplantages of wapenhandel bericht, dan gaat het over de woonwagenkampen beneden de rivieren, waar soms wel meer dan driehonderd wagen staan. Halfweg telt er slechts negen (tien als je die van oma meetelt).

    Nu het winter is, steekt het onkruid verdord en bruin tussen de spleten en rondslingerende bakstenen op. De prefab betonnen bergingen, van gemeentewege rond het kamp geplaatst in een poging de rotzooi in toom te houden, met gammele aanbouwsels in de vorm van een kippenhok of een schuur, maken de aanblik de aanblik er niet beter op. Met de kont staan de grote wagens naar buiten gekeerd, hun schuttingen vastgegroeid in het lange gras. Buiten de ring zijn vier kleine caravans gestald, van die sleurhutten waarmee burgers op vakantie gaan.

   Aan de borden kunnen vreemdelingen zien dat ze niet welkom zijn: Levensgevaarlijk en Ik waak hier. De kou doet de rest.

     Het kleinste kamp van Nederland, voor Sal en mij was het ‘thuis’. Moeilijk voor te stellen voor mensen die een straat met nette huizen gewend zijn.

    Ik las van de week dat er vooruitgang met de plannen voor de herinrichting van het terrein wordt geboekt. Dat lijkt te kloppen met de praktijk: alsof er opeens geen tijd meer te verliezen valt, is tussen de fabriekshallen en het kampterrein een manshoog hek gezet. En op de vuilstortplaats heeft de gebruikelijke berg vuilniszakken plaatsgemaakt voor een rijtje schreeuwerige containers: rood voor plastic, blauw voor papier en groen voor glas. Het plaatsje is netjes met stenen bestraat.

    Waar kan ik me straks nog meer meten aan een plek uit mijn jeugd? Het vooruitzicht dat het kamp verdwijnt, maakt dat ik opeens een glimp van heimwee voel.

   Ik sluip achterlangs naar de verste uithoek van het terrein en wring mezelf tussen de kier van de schutting oma’s wagen door. Na haar dood hadden de kampers in gezamenlijk overleg besloten geen melding van haar overlijden te doen zodat de standplaats bleef bestaan – de max is al jaren op tien vastgesteld. ‘Hoezo illegaal?’ reageerde Jana verontwaardigd op mijn protest. ‘Wat je samen doet kan je toch moeilijk stiekem noemen!’

    Het lichtje in oma’s Maria-grotje is uit. Ik graai naar de sleutel onder haar rokken en sla ter verontschuldiging meteen een kruis.

    Ik stap het verleden binnen. Het schilderijtje van oma’s geboortedorp in voormalig Duitsland (het kladderig landschapje had overal wel geschilderd kunnen zijn) klappert door de plotselinge tocht tegen de schrootjeswand. Uit gewoonte hurk ik om mijn veters los te maken, maar bedenk me dan. Er is hier niemand die het nog kan schelen of ik mijn schoenen uitdoe, oma is dood.

    Ik leg mijn hand op de rug van haar stoel. Strijk je de stof een andere richting op, dan verandert de bekleding van kleur. Alle zachtheid is uit de zitting gesleten, op de armleuningen zijn de haartjes korstig opgedroogd van gemorste drank. Op de glazen salontafel ligt oma’s vogelboek, opengeslagen. Ze heeft nooit echt haar best gedaan de Nederlandse taal onder de knie te krijgen, maar het woord ‘vogel’ gebruikte ze nooit – ze sprak nadrukkelijk van lepelaars, heggenmussen en kiekendieven.

    Op de laatste dag van haar leven zat ik aan haar bed en keek naar het fladderen van haar dunne oogleden. Opeens werd ze wakker, ze keek me recht aan: ‘Ben ik dood?’ Wapperde met een hand voor haar ogen fluisterde ze stomverbaasd: ‘Het is heel anders dan ik dacht.’ Teleurgesteld was ze in haar kussens terug gezakt. Haar blonde pruik, geel als de dode die ze feitelijk al was, zakte scheef op haar hoofd. Niet sterven waar ik bij ben, dacht ik, niet nú doodgaan. Ik had snel de benen genomen. Dat is zo’n ding waar ik me nu nog steeds voor schaam.

    Sal steekt op de Artis-foto in de vensterbank steekt twee vinger achter Saartje in ons midden op. Tussen twee bomen op de achtergrond hangt een zwarte slingeraap aan een touw. Zo zijn we met vier: Sal en ik, Saar en de slingeraap. Gelukkig maar vond oma, want ‘met z’n drieën op de foto, dat brengt pech. 'Oder wie heisst das'.

    Ik schud mijn hoofd om het leeg te maken, ik heb vroeger nu genoeg herdacht.

     Buiten leg ik een hand boven mijn ogen tegen de flikkering van de zon die probeert om door de wolken heen te breken. In het kanaal varen twee jongens uit het dorp, met van die dure jassen met bontkragen eraan. Vol gas sturen ze steeds rakelings langs het kamp, zodat de visvlonder met kracht tegen de kade knalt. Ze doen het erom.

    Ik schraap mijn keel. Het slijm is stevig en zacht. Het glijdt tussen het spleetje van mijn tanden door zonder dat het knapt. Met een fraaie boog spuug ik de klodder in de vaart. De jongens roepen me iets toe wat ik niet versta. Ik draai me om, Jana wacht.