Op zaterdag 13 december werd in de vegetatie van een bosperceel aan de Amsterdamseweg ter hoogte van hectometerpaal 78.1 het stoffelijk overschot van mijn tweelingbroer aangetroffen. Aan de hand van de papieren die hij op zich droeg, kon de politie hem al op de plaats delict identificeren.

Sal was moediger dan ik. Soms beklom ie, alleen om mij te sarren, de gammele brandtrap van de Kalkoven. Op het hoogste platform, zo’n vijfentwintig meter boven de grond met uitzicht over de woonwagens en de fabriek, riep ie naar beneden: ‘Vangen, Lau!’ Dan deed net of ie sprong.

Ooit zouden mijn angsten waarheid worden. Ik kon de doffe klap en zijn laatste kreun al horen. Ik zag hem (benen verdraaid) op het beton liggen, zijn schedel uiteengespat in een plas van bloed, alle botjes in dat lijf gebroken.

‘Hierboven, Lau!’ schreeuwde Sal. ‘Moet je kijken waar ik zit!’

Ik keek omhoog. Ik wilde niet, maar deed het toch steeds weer. Elke keer had ik mijn handen naar hem uitgestrekt, omdat ik het niet kon laten. Alsof ik hem had vangen, natuurlijk niet.

Op een dag was ik het zat. ‘Spring dan gek, kan mij het rotten!’ Ik draaide me om en rende weg, zo hard als ik kon. Op de vlonder in de vaart probeerde ik mijn ademhaling onder controle te krijgen. Maar ik was zo woedend dat ik alleen nog maar huilen kon.

Toen Sal zich even later naast me op de vlonder liet zakken, was hij nog veel kwaaier dan ik. ‘Waar was je nou!’ brieste hij. ‘Ik heb jou toch ook nog nooit alleen gelaten!’